Ik had vaak een vervelend gevoel. Vaak ’s middags.
Op een dag was ik het zat.

Ik vroeg aan het gevoel: waarom blijf jij steeds terugkomen? Ik vind je niet leuk.
Het werd stil aan de andere kant.

Toen, plots, was het alsof het gevoel terug begon te praten.

“Ik ben er niet om jou te plagen,” zei het gevoel. “Ik probeer je juist te helpen.”

“Ik voel me gevangen,” zei ik.
“Je mag me helpen. Ik snap dat je me wil beschermen, maar je werkt me ook vaak tegen.”

“Hoe komen we hier samen uit?” zei het gevoel.

“Geven en nemen,” is wat ik zei.


I often had an unpleasant feeling. Often in the afternoon.
One day, I was fed up with it.

I asked the feeling, “Why do you keep coming back? I don’t like you.”
It went silent on the other side.

Then, suddenly, it was as if the feeling began to speak again.

“I’m not here to annoy you,” the feeling said. “I’m actually trying to help you.”

“I feel trapped,” I said.
“You’re allowed to help me. I understand that you want to protect me, but you often work against me too.”

“How do we get out of this together?” the feeling asked.

“Give and take,” is what I said.